25pIn een gymzaal hangt een klimtouw aan het plafond.
Iemand beweegt korte tijd met het uiteinde van het touw,
waardoor zich door het touw een 'golftreintje' voortplant. Een
golftreintje is een beperkte serie golven. In figuur 1 is het touw
getekend op tijdstip t = t1 . De punten A, C en E van het touw
bevinden zich dan in de evenwichtsstand, terwijl het
golftreintje omhoog beweegt.
Om de relatief kleine uitwijkingen duidelijk weer te geven, is
in figuur 1 in verticale richting een andere schaal gekozen dan
in horizontale richting: in verticale richting is de werkelijkheid
25 maal verkleind weergegeven; in horizontale richting is de
werkelijkheid 10 maal verkleind weergegeven. Het touw is
overal even dik.
De voortplantingssnelheid v van de golven in een bepaald punt
van het touw wordt gegeven door:
Hierin is:
• Fs de spankracht in dat punt van het touw;
• m * de massa per lengte-eenheid van het touw.
• Beredeneer met behulp van deze formule of het golftreintje
korter wordt, langer wordt, of even lang blijft als het vanuit de
getekende positie in figuur 1 verder omhoog beweegt.
De gemiddelde voortplantingssnelheid van de golven op het
traject AE is 1,2 m ⋅ s‑l .
Je mag ervan uitgaan dat C op tijdstip t1 door het passeren van
het golftreintje harmonisch trilt en dat de bijbehorende
golflengte in het touw gelijk is aan AE.
De amplitude van C is het gemiddelde van de (absolute waarde
van de) uitwijkingen die B en D op tijdstip t1 hebben. De
snelheid van C is op tijdstip t1 maximaal. Figuur 1 staat ook op
de bijlage.
• Teken in de figuur op de bijlage de snelheidsvector ` vC van het
punt C op t = t1 .
Gebruik daarbij een schaal waarbij 1,0 cm overeenkomt met
0,20 m ⋅ s-l . Teken ` vC in millimeters nauwkeurig.
Bijlage: