examensteller bronnen

natuurkunde vwo 1989 · tijdvak 1Overgetypte versie. De opmaak volgt het origineel zo dicht mogelijk, maar is niet het originele zetwerk.

bij dit examen

Natuurkunde Vwo 1989-I

opgave 1Opgave 1 Een draaispoelmeter

1
Een bepaalde draaispoelmeter bestaat onder andere uit een
rechthoekige spoel met 100 windingen, die draaibaar is om
een verticale as. De hoogte h van de spoel is 5,0 cm; de
breedte b is 8,0 cm. Zie figuur 1.
Slechts één van de 100 windingen is getekend. De spoel is
gemaakt van koperdraad met een diameter van 0,34 mm.
→ Bereken de weerstand van de spoel.
De spoel bevindt zich in een homogeen magnetisch veld.
Indien er in de spoel geen stroom loopt, is het vlak van de
figuur bij de opgave
spoel evenwijdig aan de richting van de magnetische veldsterkte ` B . Als er echter wèl een stroom door
de spoel loopt, gaat op de spoel een koppel van lorentzkrachten werken. Het moment ML van dit
koppel wordt kleiner naarmate het vlak van de spoel een grotere hoek φ maakt met ` B .
2
→ Leg uit dat het moment van het koppel van lorentzkrachten afneemt als hoek j toeneemt van 0°
tot 90°.
De grootte van dit moment is in figuur 2 weergegeven
als functie van hoek j voor het geval dat de
stroomsterkte in de spoel 4,5 μ A bedraagt.
3
→ Bepaal de grootte van ` B .
Aan de verticale as van de spoel zijn veertjes bevestigd.
Deze zorgen voor een terugdrijvend koppel als het vlak
van de spoel niet meer evenwijdig aan ` B staat.
Ook de grootte van het moment Mt van dit koppel is in
figuur 2 weergegeven als functie van j.
4
De stroomsterkte in de spoel wordt nu verdubbeld tot
figuur bij de opgave
9,0 μ A.
→ Bepaal door gebruik te maken van figuur 2, bij welke
hoek j het moment ML en het moment Mt elkaar dan
opheffen.
De hier beschreven draaispoelmeter wordt gebruikt als
gevoelige stroommeter in een schakeling om de
uittree-energie van het kathodemateriaal van een
fotocel te bepalen. De schakeling is
weergegeven in figuur 3. De voltmeter in die
schakeling heeft een weerstand van 1,0 M Ω .
De kathode van de fotocel wordt bestraald met
monochromatisch licht met een golflengte van
405 nm.
De stroomsterkte in de stroommeter is als
functie van de spanning die de voltmeter
aangeeft, weergegeven in figuur 4.
5
→ Bereken de stroomsterkte door de voltmeter als die een spanning van 0,30 V aanwijst.
6
→ Bepaal de stroomsterkte in de fotocel als de voltmeter een spanning van 0,30 V aanwijst.
figuur bij de opgave
De constante van Planck h bedraagt 6,63 ⋅ 10‑34 Js.
7
→ Bepaal de uittree-energie van het materiaal waarvan de kathode is gemaakt.

opgave 2Opgave 2 Koude kernfusie

Al meer dan 40 jaar wordt onderzoek gedaan naar mogelijkheden om energie op te wekken door
middel van kernfusie. Eén van de beoogde reacties wordt in deze opgave nader beschouwd. Het is de
reactie:
2 H + 3 H 4 He + n + 17,6 MeV
De vrijgekomen energie komt ten goede aan de kinetische energie van de heliumkern en van het
neutron.
Beschouw het geval dat de som van de impulsen van de reagerende waterstofkernen nul is.
8
→ Bereken voor dat geval de verhouding van de snelheid van de heliumkern en de snelheid van het
neutron.
9
→ Bereken hoeveel procent van de totale kinetische energie na deze reactie is opgenomen door het
neutron.
Om bovengenoemde fusiereactie te laten optreden zijn zeer hoge temperaturen nodig ( T = 108 K).
Dan eerst komen de waterstofkernen dicht genoeg bij elkaar.
Sinds enige jaren is er ook onderzoek op gang gekomen naar koude kernfusie, dat is fusie van
waterstofkernen bij T = 103 K . Men hoopt dit te kunnen realiseren door gebruik te maken van
waterstofatomen waarin de elektronen vervangen zijn door negatieve muonen.
Zulke atomen heten muoatomen.
Negatieve en positieve muonen (respectievelijk μ en μ+ ) zijn deeltjes die dezelfde lading hebben als
elektronen respectievelijk positonen, echter met een massa die 207 maal zo groot is.
Een muonenpaar ontstaat als protonen met voldoende energie tegen een atoomkern botsen. Omdat
men alleen negatieve muonen kan gebruiken, worden de negatieve en de positieve muonen gescheiden
in een magnetisch veld. Zie figuur 5.
figuur bij de opgave
10
→ Leg uit welke richting het magnetische veld in figuur 5 heeft.
In de grondtoestand van een waterstofatoom wordt de gemiddelde afstand r tussen de atoomkern en
het negatieve deeltje gegeven door: r = cmk + m
mkm
Hierin is c een constante, m de massa van het negatieve deeltje en mk de massa van de atoomkern.
In het tritiumatoom 3 H in de grondtoestand bevindt het elektron zich op 5,3 ⋅ 10‑11 m van de
atoomkern.
Als een negatief muon in de omgeving van een tritiumatoom komt, verdringt dit het elektron.
11
→ Bereken de afstand van het muon tot de tritiumkern in de grondtoestand van dit muoatoom.
Indien dit muoatoom een waterstofmolecuul nadert dat bestaat uit een deuteriumatoom en een
tritiumatoom (respectievelijk 2 H en 3 H), komen de kernen van het muoatoom en het deuteriumatoom
voldoende dicht bij elkaar te liggen om met elkaar te reageren tot helium en een neutron. De
heliumkern en het neutron vliegen weg, terwijl het muon achterblijft. Het muon is nu beschikbaar om
een nieuwe fusiereactie te veroorzaken. Het onderzoek naar koude kernfusie is er op gericht, te
bereiken dat één muon vele kernfusies veroorzaakt voordat het vervalt.
12
→ Bereken hoeveel van deze kernreacties minstens nodig zijn om de energie terug te winnen die nodig is
voor de creatie van één muonenpaar.

opgave 3Opgave 3 Luchtwrijving

Een bewegend voertuig ondervindt zowel rolwrijving als luchtwrijving. De rolwrijvingskracht Fw,r is
onafhankelijk van de snelheid van het voertuig. Voor de luchtwrijvingskracht Fw,l geldt:
Fw,l = ½ CwA ⋅ ρ ⋅ v2
Hierin is Cw de luchtwrijvingscoëfficiënt, A de oppervlakte van het voertuig gezien vanuit de
bewegingsrichting, ρ de dichtheid van de lucht en v de snelheid van het voertuig.
13
→ Toon aan dat de luchtwrijvingscoëfficiënt Cw geen eenheid heeft.
14
figuur bij de opgave
De door de formule voorspelde
snelheidsafhankelijkheid van de luchtwrijving wordt
aan een onderzoek onderworpen. Het frame van een
wandelwagen wordt daartoe voorzien van een scherm
dat loodrecht op de rijrichting staat. Zie de foto van
figuur 6.
In een lange gang bevinden zich twee strepen op
13,2 m afstand. De wagen wordt aan een stuk fietsband
voortgetrokken. Een eind vóór de eerste streep wordt
met trekken begonnen. Zo wordt ervoor gezorgd dat
het traject tussen de strepen steeds wordt afgelegd met
constante snelheid.
Bij één van de metingen wordt dit traject tussen de
strepen afgelegd in 5,8 s en is de band evenveel
uitgerekt als door een kracht van 6,7 N.
→ Bereken het vermogen dat door de trekkracht op dit
traject wordt geleverd.
Bij een aantal trekkrachten Ft wordt zo de snelheid v op het traject gemeten. Om de formule voor Ft te
toetsen, zijn de gevonden meerwaarden weergegeven in een Ft , v2 ‑diagram. Zie figuur 7.
figuur bij de opgave
15
→ Bepaal door gebruik te maken van figuur 7 de rolwrijvingskracht van de wagen.
Het gebruikte scherm heeft de afmetingen van 0,60 m bij 0,89 m. Het resterende oppervlak wordt
verwaarloosd. De dichtheid van de lucht bedraagt 1,20 kg ⋅ m‑3 .
16
→ Bepaal door gebruik te maken van figuur 7 de luchtwrijvingscoëfficiënt Cw van de wagen.
Voor het geval dat ook tijdens de aanloop de trekkracht constant is, is berekend hoe de snelheid
toeneemt als functie van de tijd.
In figuur 8 staat de snelheid als functie van de tijd uitgezet voor een constante trekkracht van 10 N.
figuur bij de opgave
De massa van de wagen bedraagt 12,5 kg. De resulterende kracht op de wagen op t = 6,0 s kan op
twee manieren worden bepaald.
17
→ Bepaal die resulterende kracht met behulp van de versnelling op dat tijdstip. Gebruik hiertoe figuur 8.
18
→ Bepaal die resulterende kracht met behulp van de gegeven trekkracht en de wrijvingskrachten

opgave 4Opgave 4 Fotografische tralieproduktie

Het is mogelijk tralies te maken door middel van een optische methode. Dit wordt gedaan door twee
coherente lichtbundels met elkaar te laten interfereren.
Hiertoe laat men een bundel monochromatisch coherent licht loodrecht op twee gelijkbenige,
rechthoekige glazen prisma's vallen, zoals in figuur 9 is aangegeven.
figuur bij de opgave
De helft van de bundel gaat na totale reflectie tegen de schuine zijde van het linker prisma naar links.
De andere helft van de bundel gaat na totale reflectie naar rechts. De beide bundels worden daarna
door spiegels weerkaatst.
19
→ Bereken de kleinste waarde van de brekingsindex van het glas van de prisma’s waarvoor in de
gegeven stand de bundels in de prisma's totaal reflecteren.
De beide bundels komen samen in een gelatinelaag waarin zich in een dun laagje lichtgevoelig
materiaal bevindt. Zie figuur 10.
figuur bij de opgave
In figuur 11 is te zien, hoe de van links komende bundel vanuit lucht de gelatinelaag binnentreedt. In
deze figuur is een golfstraal getekend. Verder zijn er 15 opeenvolgende lijnen getekend die aangeven
waar op een bepaald moment de gereduceerde fase van de lichtgolven nul is.
figuur bij de opgave
20
→ Bepaal met behulp van deze figuur de brekingsindex voor licht dat van lucht naar gelatine gaat.
Op plaatsen waar de lichtbundels elkaar voortdurend het meest versterken ("maxima"), wordt het
lichtgevoelige materiaal, na te zijn ontwikkeld, donker. Op plaatsen waar de lichtbundels elkaar
voortdurend het meest verzwakken ("minima"), blijft het materiaal doorzichtig. Op deze manier kan
men donkere lijnen in de lichtgevoelige laag maken.
Figuur 12 is een doorsnede van de lichtgevoelige laag met daarin de punten P, Q en R, die elk met een
stip zijn aangegeven.
figuur bij de opgave
In figuur 12 is met getrokken lijnen aangegeven op welke plaatsen de gereduceerde fase van de
lichtgolven in de omgeving van P, Q en R op een bepaald tijdstip gelijk is aan nul. In deze figuur is
met streeplijnen aangegeven op welke punten de gereduceerde fase op dat tijdstip gelijk is aan ½.
Tevens is van beide bundels een golfstraal getekend.
21
→ Leg voor elk van de punten P, Q en R uit of zich daar een "minimum" bevindt.
In de gelatinelaag is de golflengte van het gebruikte licht gelijk aan 320 nm.
22
→ Bepaal met behulp van figuur 12 de tralieconstante van het op deze wijze te produceren tralie.

opgave 5Opgave 5 Een cumuluswolk

In een droog steppegebied dat met struiken is begroeid, bevindt zich een kleine zandvlakte. De lucht
boven deze zandvlakte wordt wat sterker verhit dan de lucht in het omringende gebied. Een
hoeveelheid lucht boven deze vlakte begint op te stijgen zodra die een temperatuur heeft gekregen die
gemiddeld 1,0 °C hoger is dan die van de omringende lucht. Uit deze luchtbel ontstaat een
cumuluswolk.
Tijdens het opstijgen van de luchtbel stroomt onder de bel lucht uit de omgeving toe. Zie figuur 13.
figuur bij de opgave
De lucht die onder de bel toestroomt, wordt ook weer verwarmd. Na enige tijd stijgt de volgende
luchtbel op.
De oppervlakte van de zandvlakte bedraagt 8,0 ⋅ 104 m2 .
Een bepaalde luchtbel boven de zandvlakte heeft een massa van 7,3 ⋅ 106 kg. De soortelijke warmte
van de lucht bedraagt 1,0 ⋅ 103 J ⋅ kg‑1 ⋅ K‑1 .
Voor het warmtetransport geldt:
→ het vermogen waarmee de zandvlakte de luchtbel door middel van stroming en geleiding verwarmt,
bedraagt 62 W per m2 ;
→ het vermogen van de door de luchtbel geabsorbeerde en uitgezonden straling moet worden
verwaarloosd.
23
→ Bereken hoe lang het duurt voordat de temperatuur van de luchtbel 1,0 °C is gestegen.
Voor de energiebalans van de bovenkant van de zandvlakte zijn verder onder andere de volgende
gegevens van belang:
→ de zandvlakte ontvangt 580 W ⋅ m‑2 aan zonnestraling, waarvan 70% wordt geabsorbeerd;
→ de zandvlakte ontvangt uit de atmosfeer 324 W ⋅ m‑2 aan langgolvige straling, die volledig wordt
geabsorbeerd:
→ de zandvlakte zendt langgolvige straling uit. Voor deze straling is de zandvlakte op te vatten als een
zwart lichaam;
→ de temperatuur van het oppervlak van de zandvlakte heeft een constante waarde van 40 °C bereikt;
→ het zand onder het zandoppervlak heeft dan nog een lagere temperatuur. Er stroomt dan ook warmte
van het zandoppervlak de grond in.
24
→ Bereken met behulp van de energiebalans van het zandoppervlak hoeveel warmte per s en per m2 de
grond in gaat.
De temperatuur van de lucht boven de steppe is gemeten als functie van de hoogte. Het daaruit
volgende temperatuurprofiel is in figuur 14 weergegeven.
figuur bij de opgave
Uit deze figuur blijkt dat de temperatuur in de onderste 2,9 km van de atmosfeer 1,0 °C daalt per
100 m hoogtetoename. Dat is gelijk aan de waarde die geldt voor droogadiabatische veranderingen.
De waterdamp in een luchtbel die van de zandvlakte opstijgt, begint te condenseren zodra de
temperatuur van de luchtbel is gedaald tot 3,0 °C. Bij verdere stijging daalt de temperatuur van de
luchtbel 0,60 °C per 100 m stijging.
25
→ Bepaal door gebruik te maken van figuur 14, op welke hoogte de temperatuur van de luchtbel gelijk
wordt aan die van de omgeving.
Hoewel de temperatuur in een deel van de zo gevormde wolk lager is dan 0 °C, worden bij gebrek aan
geschikte bevriezingskernen geen ijskristallen gevormd. Om neerslagvorming te bevorderen wordt de
wolk bestrooid met kunstmatige bevriezingskernen zodat er enkele ijskristallen ontstaan.
26
→ Geef twee redenen waarom die ijskristallen aangroeien.
Einde.