examensteller bronnen

natuur- en scheikunde 1 vmbo gl/tl 1999 · tijdvak 2Overgetypte versie. De opmaak volgt het origineel zo dicht mogelijk, maar is niet het originele zetwerk.

bij dit examen

MAVO D examen Natuurkunde 1999 2e tijdvak

opgave 1Een straal door een lens

Bij een proefwerk moet Jasper tekenen hoe een lichtstraal door een negatieve lens
wordt gebroken.
In figuur 1 zie je het deel van het proefwerkpapier waarop zijn antwoord staat.
figuur 1
figuur 1
12p
Heeft Jasper een goede lens getekend en de straal in de juiste richting gebroken?
figuur 1

opgave 2De gaatjescamera

Joyce heeft zelf een gaatjescamera gemaakt. Ze heeft daartoe aan de open kant van
een blik overtrekpapier geplakt en aan de andere kant in de bodem een gaatje
gemaakt. In een donker vertrek zet ze een kaarsvlam voor het gaatje. Daardoor kan
ze op het overtrekpapier het beeld van de kaarsvlam zien. Zie figuur 2. Deze figuur is
op schaal.
figuur 2
figuur 2
Vergelijk de grootte en de stand van het beeld van de vlam met de vlam zelf.
22p
Het beeld van de kaarsvlam op het overtrekpapier is
A kleiner dan de kaarsvlam en staat omgekeerd.
B kleiner dan de kaarsvlam en staat rechtop.
C groter dan de kaarsvlam en staat omgekeerd.
D groter dan de kaarsvlam en staat rechtop.

opgave 3Veldwerk biologie

Biologen gebruiken bij hun veldwerk wel eens doorzichtige potjes. In de deksel ervan
zit een bolle lens.
In het potje wordt een beestje gedaan. Zie figuur 3. In figuur 4 zie je een tekening in
doorsnede van deze situatie.
figuur 3
figuur 4
figuur bij de opgave
figuur bij de opgave
Door de lens zie je een vergroot, rechtopstaand beeld van het beestje en het mm-
papier op de bodem van het potje. Het beestje wordt scherp gezien.
32p
Vergelijk de brandpuntsafstand van de lens met de afstand van de lens tot het
beestje.
A Het beestje bevindt zich dichterbij dan het brandpunt.
B Het beestje bevindt zich in het brandpunt.
C Het beestje bevindt zich verder weg dan het brandpunt.
In figuur 5 is het vergrote beeld figuur 5
42p
weergegeven van een ander
De
beestje en de schaalverdeling.
bioloog wil weten hoe lang het
beestje in werkelijkheid is.
Hoe lang is het beestje in
werkelijkheid?
A 0,8 cm
B 1,4 cm
C 1,7 cm
D 2,2 cm
E 2,4 cm

opgave 4Overzicht

In de koffieruimte van een bioscoop wil de ober achter de balie de ruimte zo goed
mogelijk overzien. Zie voor een plattegrond de figuur op de bijlage. Als de ober zich
in punt P bevindt, kan hij direct of via de spiegel RS de ruimte inkijken.
55p
Geef in de figuur op de bijlage duidelijk aan welk deel van de ruimte de ober niet
direct of door gebruik van de spiegel RS kan zien.

opgave 5Opwaartse kracht

Gijs vult een bekerglas met water. Daarna doet hij er een pingpongbal en een grote
glazen knikker in. De volumes van de pingpongbal en de knikker zijn gelijk. De
pingpongbal blijft natuurlijk drijven, terwijl de knikker zinkt. Zie figuur 6.
figuur 6
figuur 6
62p
Welk voorwerp ondervindt de grootste opwaartse kracht van het water?
A Geen van beide: de twee voorwerpen ondervinden een even grote opwaartse
kracht.
B de knikker
C de pingpongbal

opgave 6Het schilderij

Een schilderij kun je met een koord op verschillende manieren ophangen. Zie figuur
7.
figuur 7
figuur 7
In figuur 7 is de zwaartekracht Fz op het schilderij getekend.
72p
In welke situatie is de spankracht in het koord het kleinst?
A in situatie 1
B in situatie 2
C in geen van beide situaties: de spankracht is evengroot.

opgave 7In de disco

In een discotheek zit voor een grote lamp, die wit licht geeft, een draaiende schijf. In
deze schijf zitten rode, groene en kleurloze glaasjes, waardoor de kleur van het licht
in de disco verandert.
Jaap en Hanneke zijn in die discotheek.
Hanneke heeft een zwarte broek en een rode trui aan.
82p
Bij welke kleur(en) van het licht ziet Jaap de broek van Hanneke zwart en haar trui
rood?
A alleen bij rood licht
B alleen bij wit licht
C alleen bij groen licht
D alleen bij rood licht en wit licht
E alleen bij rood licht en groen licht
F Bij alle drie kleuren ziet Jaap de broek zwart en de trui rood.

opgave 8Aardlekschakelaar

In een moderne huisinstallatie is een aantal voorzieningen voor beveiliging
aangebracht. Eén daarvan is de aardlekschakelaar.
92p
Wanneer treedt een aardlekschakelaar in werking?
A als de aarddraad los raakt.
B bij een verschil tussen de stroomsterkte het huis in en het huis uit.
C bij overbelasting.

opgave 9Lampjes

Een leerling speelt met zijn practicummateriaal en bouwt de schakeling van figuur 8.
figuur 8
figuur 8
De schakelaar S1 is gesloten, S2 staat open.
102p
Hoeveel lampjes kunnen er in deze situatie branden?
A 0
B 2
C 3
D 4
E 5
F 7

opgave 10Weerstand meten

Bij een practicumproef hebben Annie en Bea de beschikking over een spanningsbron
en een onbekende weerstand. Ze willen de grootte van deze weerstand meten. Ze
gebruiken daarbij een stroommeter en een spanningsmeter.
113p
Teken het elektrische schema, dat nodig is om de weerstand op deze manier te
meten.
Met een regelbare spanningsbron kunnen Annie en Bea de spanning veranderen van
0 tot 12 V.
Telkens noteren ze de bijbehorende stroomsterkte. De eerste meting die ze in hun
tabel zetten is de onderstaande.
tabel 1
tabel 1
122p
Hoe A 0,010 groot is volgens deze meting de weerstand?
B 0,10
C 0,40
D 10
E 100
F 400
Annie en Bea gaan verder met hun metingen om te zien of de weerstand bij hogere
spanning en stroomsterkte verandert omdat de weerstand dan warmer wordt. Ze
maken onderstaande tabel.
tabel 2
tabel 2
132p
Leg door het tekenen van de grafiek in de figuur op de bijlage uit of je vindt dat de
weerstand temperatuurafhankelijk is. Geef je conclusie onder de grafiek op de
bijlage.

opgave 11Een gloeilamp

In looplampen gebruikt men soms gloeilampen die tegen een stootje kunnen. We
veronderstellen dat men in zo’n lamp daarom de diameter (middellijn) van de
gloeidraad 2 keer zo groot heeft gemaakt.
We vergelijken nu een gewone lamp van 100 W met deze extra stevige lamp van 100
W, die dus een even grote weerstand heeft. Beide gloeidraden zijn van hetzelfde
materiaal gemaakt.
142p
De lengte van de gloeidraad van de extra stevige lamp is
A 4 keer zo klein.
B 2 keer zo klein.
C evengroot.
D 2 keer zo groot
E 4 keer zo groot

opgave 12Een magneet helpt zoeken

Op tafel liggen drie geverfde blokjes. Sevda weet dat er één blokje bij is van koper,
één van nikkel en één van ijzer.
Ze kan aan de blokjes niet zien waar ze van gemaakt zijn. Zie figuur 9.
figuur 9
figuur 9
Met behulp van een magneet kan Sevda van één blokje zeker zeggen waar het van
gemaakt is.
152p
Welk van de blokjes is dat?
A het blokje koper
B het blokje nikkel
C het blokje ijzer

opgave 13Een drijvend stukje hout

Marleen wil de dichtheid van een stukje hout bepalen. De massa van het stukje hout
is 30 gram. Marleen vult een maatglas met 50 cm3 water en laat het stukje hout in het
water zakken. Zie figuur 10.
figuur 10
figuur 10
Marleen wil nu de dichtheid uitrekenen.
162p
Hoe groot is de dichtheid van het stukje hout?
A De dichtheid van dit stukje hout kun je zo niet bepalen.
B 0,38 g/cm3
C 0,60 g/cm3
D 1,0 g/cm3
E 1,7 g/cm3
F 2,7 g/cm3

opgave 14Een waterkoker

Bas en Rolf hebben een elektrische waterkoker gekocht.
De waterkoker bestaat uit een voet van kunststof en een kan met een ingebouwde
dompelaar. De voet is een hulpstuk waardoor je de kan kunt optillen zonder dat je de
stekker uit het stopcontact hoeft te halen. Zie figuur 11.
figuur 11
figuur 11
In de voet zit de aansluiting voor de dompelaar in de kan.
In figuur 12 zie je de typeplaatjes van de voet en de kan van de waterkoker. Deze
plaatjes zijn verschillend.
figuur 12
figuur 12
Op het ene typeplaatje staan onder andere gegevens over stromen; op het andere
typeplaatje staan onder andere gegevens over vermogens.
Rolf vraagt zich af of deze gegevens over stromen en vermogens op de typeplaatjes
met elkaar kloppen.
174p
Laat met behulp van een berekening zien of deze gegevens op de plaatjes
overeenkomen.
Bas en Rolf kookten het water eerst op gas. Ze hebben de waterkoker gekocht
omdat zij denken op die manier mee te helpen het broeikaseffect te beperken.
182p
Leg uit of je het hiermee eens bent.
Rolf wil het rendement van de waterkoker bepalen bij het aan de kook brengen van
water. Hij vult daartoe de kan tot het bovenste maatstreepje met kraanwater van
15°C. Dan zet hij de kan op het voetstuk en wacht tot het water aan de kook is. Dat
duurt 5 minuten en 40 seconden. Rolf neemt aan dat het vermogen van de
waterkoker 1850 W is.
195p
Bereken het rendement van de waterkoker.
MAVO D examen Natuurkunde 1999 2e tijdvak

opgave 15Luidspreker

In figuur 13 zie je de
figuur 13
vereenvoudigde
afbeelding van een luidspreker.
De spoel is op de conus
vastgelijmd.
Om de luidspreker te testen, sluit
Maarten
de spoel aan op een batterij. Op
het
moment dat de spoel contact
maakt met de
batterij ziet hij de conus even
bewegen.
figuur bij de opgave
202p
Leg uit waarom de conus beweegt.
Luidsprekers die geschikt zijn voor
hoge
tonen hebben een conus die zo
licht
mogelijk is.
211p
Waarom is een lichte conus beter
voor hoge tonen?
De luidspreker is ook als microfoon
te gebruiken.
De geluidstrillingen laten dan de
conus bewegen.
Maarten vervangt de batterij door
figuur 14
een spanningsmeter.
Zie figuur 14.
Tijdens het spreken in de conus
ziet Maarten de spanningsmeter
uitslaan.
222p
Leg uit waarom het bewegen van
de conus de spanningsmeter laat
figuur bij de opgave
uitslaan.

opgave 16Bepalen van de valversnelling

Bij een proef met de tijdtikker wil Houman de valversnelling bepalen. Hij bevestigt
daartoe een bolletje met een massa van 200 g aan een tikkerstrook. De strook laat
hij vervolgens door de tijdtikker vallen. Zie figuur 15.
figuur 15
figuur 15
figuur ontleend aan Scoop, Wolters-Noordhoff
De tijd tussen 2 opeenvolgende tikken is 0,020 s.
Houman knipt 2 stukjes van de tikkerstrook af. Eén stukje kort na het begin van de
val en een stukje net voordat het bolletje op de grond viel. De twee stukjes zijn op
ware grootte afgebeeld in figuur 16.
figuur 16
figuur bij de opgave
232p
Welk punt van de papierstroken ging het eerst door de tijdtikker?
A punt A
B punt B
C punt C
D punt D
Tussen de middelste stippen E en F van de beide stukjes zaten 11 stippen. De
meeste van die stippen zaten dus op een stuk strook dat er tussenuit is geknipt.
242p
Hoeveel tijd is er verlopen tussen het zetten van de stippen E en F?
A 0,20 s
B 0,22 s
C 0,24 s
De snelheid van de strook bij het zetten van stip E is gelijk aan de gemiddelde
snelheid die de strook CD had.
253p
Bereken deze gemiddelde snelheid.
Zoals je de snelheid in E hebt berekend, kun je ook de snelheid in F berekenen. Bij
vraag 24 heb je de tijd tussen deze twee snelheden bepaald. Daaruit kun je nu g
berekenen.
261p
Met welke formule kun je g uitrekenen uit twee bekende snelheden en de bekende
tijd ertussen?

opgave 17Thermoskan

In een thermoskan kun je een drank lekker koel houden. Zo’n thermoskan bestaat
van binnen uit een dubbelwandige glazen fles. Zie figuur 17.
figuur 17
figuur bij de opgave
Tussen de beide wanden zit geen lucht: die ruimte is luchtledig.
272p
Welke vormen van warmte-overdracht worden door het verwijderen van de lucht
beperkt?
A alleen geleiding en straling
B alleen geleiding en stroming
C alleen straling en stroming
D al deze drie vormen van warmte-overdracht

opgave 18Verschillende kwikthermometers

Anne en Kim meten allebei de
figuur 18
temperatuur
die
van een vloeistof in een blikje.
Anne heeft een kwikthermometer
die tot
100°C kan gaan.
Kim heeft een kwikthermometer
maar
tot 50°C kan gaan.
Zie figuur 18.
Beide thermometers wijzen
dezelfde
temperatuur van de vloeistof aan.
Als Anne en Kim hun
thermometers
vergelijken, blijken die verschillend:
op de
thermometer van Kim is de afstand
tussen
de graadstrepen groter. Zie figuur
18.
Over de wijze waarop de
verschillende
thermometers geconstrueerd
kunnen zijn,
worden twee uitspraken gedaan.
282p
Welke van deze uitspraken kan of kunnen juist zijn?
1 De stijgbuis van de thermometer van Kim is nauwer.
2 De thermometer van Kim heeft een groter reservoir met kwik.
A geen van beide
B alleen 1
C alleen 2
D zowel 1 als 2

opgave 19Warmhoudplaatje

In een restaurant gebruikt men warmhoudplaatjes. Deze plaatjes bestaan uit een
plaat metaal op pootjes. Deze plaatjes worden elektrisch verwarmd, waarna ze op
tafel worden gezet met de schalen met de gerechten erop.
Een fabrikant van dergelijke plaatjes kan kiezen uit diverse metalen. Als afmetingen
kiest hij: lengte 36 cm, breedte 20 cm en dikte 8,0 mm. Voor alle berekeningen laten
we de pootjes buiten beschouwing. De fabrikant berekent de massa’s die de plaatjes
bij verschillende metalen zouden krijgen.
293p
Bereken jij nu eens de massa van zo’n warmhoudplaatje van nikkel.
De warmhoudplaatjes worden verwarmd tot 80°C. Een bepaald plaatje koelt in 30
minuten af van 80°C tot 55°C. Van dat plaatje berekent iemand dat het daarbij 52 kJ
aan warmte afstaat.
302p
Hoe groot is het gemiddelde vermogen dat het plaatje in die tijd heeft geleverd?
A 0,029 W
B 29 W
C 35 W
D 69 W
E 1,7·103 W
F 2,1·103 W
We vergelijken een plaatje van nikkel en een plaatje van roestvrij staal met dezelfde
afmetingen.
Beide plaatjes koelen af van 80°C tot 55°C.
313p
Leg uit welk van deze plaatjes de meeste warmte afstaat.

opgave 20Energie op Vlieland

Lees de tekst over de energievoorziening op het eiland Vlieland.
tekst 1
figuur bij de opgave
322p
Beschrijf op welke wijze een dieseleenheid op Vlieland elektrische energie
produceert.
Uit het krantenartikel blijkt, dat het NUON graag de dieselolie wil vervangen door een
duurzame en milieuvriendelijke energiebron.
332p
Leg uit welke milieuvriendelijke energiebron je vooral geschikt vindt voor het eiland
Vlieland.

opgave 21Radioactiviteit

In een laboratorium wordt gedurende enige tijd de activiteit van een radioactief
preparaat gemeten. De resultaten van deze meting staan in tabel 3.
tabel 3
tabel 3
343p
Teken in de figuur op de bijlage de grafiek bij deze meetgegevens.
352p
Bepaal of bereken de halveringstijd van het preparaat.
362p
Leg uit of de activiteit van dit preparaat na 10 minuten 0 Bq is geworden.

opgave 22Een stroomstoot

Lees het krantenartikeltje.
tekst 2
figuur bij de opgave
uit het Brabants Nieuwsblad van 18-4-1996
371p
Welke natuurkundige fout staat er in het krantenartikeltje?
De grootte van de weerstand van de man hangt af van de omstandigheden. Neem
aan dat de weerstand in dit geval 10 k was.
382p
Hoe groot was de stroomsterkte bij dit ongeluk?
A 22 mA
B 45 mA
C 22 A
D 45 A
E 2,2·103 A
F 2,2·106 A

opgave 23Isoleren

Yvonne heeft haar huis laten isoleren om de stookkosten te beperken. Op een
warme dag vraagt Yvonne zich af of ze ook voordeel heeft van deze isolatie bij het
koel houden van haar huis.
392p
Heeft de isolatie invloed op de temperatuur in het huis op deze warme dag?
A Ja, het huis blijft koeler.
B Ja, het huis wordt extra warm.
C Nee, als het buiten warm is, heeft zo’n isolatie geen invloed.

opgave 24In de bus

Uit een onderzoek is gebleken dat buschauffeurs soms wegrijden, voordat alle
passagiers op hun plaats zitten. Dit is voor deze passagiers niet ongevaarlijk.
402p
Leg uit waarom wegrijden, voordat de passagiers zitten, gevaarlijk is.